BOEMERANG

Boemerang vertelt een verhaal waarin serieuze onderwerpen als de druk van ouders op hun kinderen om te presteren, het verliezen van een broertje en scheidingen op luchtige, cabareteske wijze voor het voetlicht worden gebracht.

Robert Brouwer: Pingpong Ergens aan de rand van de grote stad, verborgen in één van de buitenwijken, staat een oud, vervallen gymzaaltje, woonhuis én trainingscentrum van twee ex-topsporters, een man en een vrouw, een echtpaar. Jaren hebben zij gewerkt om de top te bereiken, maar de eerste plaats werd nooit bereikt, en dus maken ze nu vooral... ruzie.
Want terwijl de man niets meer doet, denkt de vrouw nog steeds een groot turnkampioene te kunnen worden. Elke dag zwaait ze aan de ringen, zwiert ze door de kamer. Kruiwagens vol doping schept ze elke dag naar binnen, een dieet van dopingsoep en dopingspruitjes. Dit veroorzaakt bij haar niet alleen lange snor- en baardharen, maar ook blijken er nog vreemde dingen in haar buik te gebeuren. Zo kan het gebeuren dat er halverwege een dubbele flikflak met halve schroevendraaier spontaan twee jongetjes worden geboren, een tweeling, Bob en Dennis, stuiterend door de gymzaal als ballen in een flipperkast.
Sportieve jongens, dat is duidelijk. Vader en moeder zien een prachtige toekomst in de sport voor Dennis en Bob. Wat de ouders niet konden halen, zal de tweeling zeker bereiken. Na allerlei sporten te hebben geprobeerd blijkt hun grote talent voor de tafeltennis. Bob en Dennis gaan pingpongen.
Altijd is de tweeling samen, altijd zien ze er hetzelfde uit, altijd trainen ze met elkaar, en eten dezelfde hoeveelheden dopingspruitjes. Maar niemand ziet dat Dennis heel anders is dan Bob. Dennis is een dromer, liever lui dan moe. Liefst hangt hij wat rond, beetje gooien met zijn boemerang. Zijn favoriete sporten zijn papierheffen, sloomlopen, en synchroonsnurken; ja, voor een lekker tukje mag je hem 's nachts wakker maken. Zijn broer Bob gaat wel voor de pingpong. Hij vindt tafeltennis ook het leukst, hij is de batman van de pingpong. Maar Dennis pingpongt dapper mee, voor zijn broer. Samen zijn ze de pingpongtweeling.
Maar dan valt Bob onverwacht weg, en blijft Dennis alleen over. Niet alleen het verlies van zijn broer valt hem zwaar, ook de druk van zijn ouders wordt opeens veel groter: hij moet nu de nieuwe tafeltenniswereldkampioen worden. Zijn ouders worden zo fanatiek, dat ze ruzie krijgen over de trainingsmethoden, en uit elkaar gaan. De gymzaal wordt verdeeld in tweeën. Om de dag traint Dennis bij zijn moeder, die hem de concentratie, de yin en yang van de pingpong bijbrengt. Elke andere dag bij zijn vader, die een hardhandige nieuwe trainster introduceert, uit het voormalig oostblok: Frau Donnerwetter. Elke avond beklimt Dennis de muur tussen zijn ouders, heen en weer geslingerd als een boemerang. Hij wil geen ruzie, hij wil niet eens tafeltennissen. Contact wil hij, met z'n ouders. Of met het overbuurmeisje, Roos. Maar elke keer als Dennis over Roos begint, beginnen zijn ouders over Head 'n Shoulders...
Niemand luistert. Dus gaat Dennis maar trainen, en trainen, en trainen, voor die ene dag, de dag dat hij goed genoeg is om HEM uit te dagen, de koning van de pingpong: Kingkong...

"Een gruwelijke vertelling, die hij met plastische motoriek, levendige mimiek en virtuoze stemmetjesmakerij neerzet, in hoog tempo en met een taalgebruik dat voelbaar overkomt bij de geamuseerde doelgroep. Zonder stemverheffing krijgt hij de gymzaal stil en hij houdt zijn publiek (op een notoir lastige leeftijd) schijnbaar moeiteloos vast.." (Arnhemse Courant)

« terug naar "informatie"